Begrippen en afkortingen

De belangrijkste afkortingen:

BC – Borstcrawl
SS – Schoolslag
RC – Rugcrawl
VL – Vlinderslag

BCA – Borstcrawl Armen
BCB – Borstcrawl Benen
RCB – Rugcrawl benen
(elke combinatie van een slag met A of B werkt op dezelfde manier). 

Armen betekent alleen armen zwemmen. De benen worden dan stil gehouden met een pullbouy (of een elastiek, maar dan staat het specifiek aangegeven). 

Benen betekent alleen zwemmen met de benen. Als er geen toevoeging is mag het met of zonder plank. Meestal staat er benen met de armen voor (of iets vergelijkbaars). In dat geval dus alleen benen zwemmen. 

Borstcrawl benen met (zoomers/snorkel/plankje): Je doet alleen benen met de het gespecificeerde materiaal. Als er zoomers staat, betekent dit ook dat je de armen voor houdt zonder plank. 

Intensiteit: Ik geef de intensiteiten in procenten aan. 70% staat gelijk aan rustige duur, 80% aan zone 2 (van de 5 bij hardlopen bijvoorbeeld). 85% is op de drempel, 90% is technisch hard, 95% is heel hard maar nog wel met techniek en 100% (of MAX) is zo hard je kan, techniek maakt dan niet uit. 

Ligging: Hoe je in het water ligt bepaald in grote mate je snelheid. Met focus op de ligging bedoel ik dat je er op let of je horizontaal, recht en strak bent. 

Plankje (of kickboard): plank om vast te houden tijdens het benen zwemmen.

Pullbouy: Drijver voor tussen de benen. 

Rust: Rust is passief (hangen aan de kant) tenzij anders aangegeven. De tijd is in seconden. 

Slag wisselen: Je mag naar keuze van slag wisselen. Bijvoorbeeld om de 25 of 50 meter. Het enige wat niet ‘mag’ is de hele afstand in één slag zwemmen. 

Starttijd: Zie hieronder

WU – Warming up: Een belangrijk onderdeel van de training. Even extra rustig aan, hier win je geen wedstrijd (en ook geen training). 

Zoomers: Korte flippers

Starttijd:

Een startijd is anders dan rust. Normaal staat de rust vast, hoe hard je een afstand ook zwemt. Bij een starttijd is de rust afhankelijk van hoe hard je gezwommen hebt. 

Bijvoorbeeld:
-Je hebt een starttijd van 60 seconden op een 50 meter. Je doet 50 seconden over de 50 meter. Je hebt dan nog 10 seconden rust. 
-Je hebt een starttijd van 2 minuten en 30 seconden op een 100 meter. Je zwem 2’10. Je hebt dan nog 20 seconden rust over. 

Als je zelf de starttijd mag bepalen op basis van de eerste herhaling, probeer dan de eerste keer het tempo te zwemmen dat je vol wilt houden. Als je dan bijvoorbeeld 51 seconden zwemt op een 50 meter (met de opdracht om een starttijd te bepalen van deze tijd + 10 seconden), dan is de starttijd óf 60 seconden of 65 seconden; deze keuze is aan jou.